Over zwarte wolken in je leven

Deel 1: depressie tijdens mijn jeugd

Foto: CC by Stephen Bowler via Flickr

Ik ben altijd al gevoelig geweest, emotioneel. Ik huilde snel als kind, en voelde me nooit echt ergens op mijn plek, behalve thuis. Ik was een eenzaat en op zich had ik daar geen problemen mee. Ik vermaakte me best op mijn eentje. Ik had wel vriendinnetjes natuurlijk, maar geen horde om uit te kiezen, en diezelfde vriendinnetjes hadden op hun beurt ook vriendinnen die iets gemakkelijker en socialer in omgang waren. Dan is het moeilijk om je er als introvert in een grotere groep te handhaven. Je hoort er al snel niet bij, je begint je als een mislukkeling te voelen, als ‘die rare’, en je zelfvertrouwen keldert.

Toen ik een jonge puber was, werd ik het slachtoffer van pesterijen op school. Ik deed mijn best om erbij te horen maar was blijkbaar enkel goed genoeg om spullen van te lenen en taken van over te schrijven. Ik liet het toe omdat ik dacht dat het me toch een beetje geliefder zou maken. Had ik het maar over me heen laten gaan en niet zo aangetrokken, dan had ik me wellicht beter gevoeld. Maar ik was nu eenmaal hoogsensitief. Dat woord bestond nog niet toen ik jonger was, toen was je gewoon ‘gevoelig’. Er waren geen boeken over hoe je dat moest aanpakken, zowel als persoon en als ouder van. Ik ben blij dat er nu wel meer onderzoek naar gedaan is, dat men de waarschuwingssignalen sneller kan zien.

Gedoemd?

Bij mij kwam er dan nog eens bij dat ik een ‘binnenvetter’ was en niet aan de buitenwereld wilde laten zien dat ik me slecht voelde. Ik kon me goed bezig houden alleen, ik haalde goede resultaten, ik had toch een paar vriendinnetjes…je kon amper aan mij merken dat er iets scheelde. Niet dat mijn ouders niets merkten, ze wilden mij wel helpen, maar ik werkte natuurlijk niet altijd mee. Als volwassene kon ik op momenten voor mezelf beslissen: nu heb ik hulp nodig. Als kind kon ik dat niet. Dat stoort me tot op vandaag wel. Het ‘wat als’ scenario. Had ik toekomstige depressies kunnen vermijden door die van vroeger eerder aan te hebben gepakt? Of was ik als hoogsensitief persoon al op voorhand ‘gedoemd’?

Bang voor de pijn

Rond mijn twaalfde dacht ik voor het eerst aan zelfmoord. Ik was op Bloso kamp in de Ardennen en voor een of andere reden was ik het slachtoffer van een jongen die het leuk vond om modder naar mij te smijten of mij te beledigen. Klikken deed ik niet, dat maakte het er niet beter op. Toen we een keer over een hangbrug moesten lopen, één voor één, dacht ik erover om de veiligheidsgesp los te maken en in het ravijn te springen. Ik heb het uiteindelijk niet gedaan, niet omdat ik dacht aan mijn ouders maar omdat ik schrik had van de pijn die zo’n val zou veroorzaken. Ik stond er op dat moment niet bij stil hoe absurd het was dat ik enkel dacht aan mijn eigen pijn en ervan overtuigt was dat mijn ouders het toch niet zo erg zouden vinden als ik er niet was.

Slechte jeugd

En zo werd het zaadje geplant van bijna 20 jaar ervaring met depressie. Oké, ik was natuurlijk niet altijd depressief. Je wordt gewoon zo goed in het blokkeren. Toch kan ik de momenten waarop ik me goed voelde in mijn jeugdjaren op twee handen tellen. Dat wil niet zeggen dat ik een slechte jeugd had. Mijn ouders deden hun best om ermee om te gaan, maar als je kind je niet kan of wil zeggen wat er scheelt, is het niet makkelijk om er iets aan te doen. Natuurlijk zullen er wel meer fijne momenten zijn geweest dan ik me herinner, daar twijfel ik niet aan. Echter, de slechte ervaringen blijven nu eenmaal meer kleven dan de goede.

Een nieuwe start?

Fast forward naar mijn twintiger jaren. Na een jaar tevergeefs werk te zoeken, ging ik terug studeren, aan de hogeschool deze keer. De diversiteit in leeftijd, achtergrond, nationaliteit en het feit dat je niet constant met dezelfde mensen in de klas zat zorgden ervoor dat het schoolleven draaglijker werd. Ik was nog altijd onzeker en was zeker niet populair maar ik kon me al wat meer voelen in een groep. De focus lag daar meer op slagen voor examens dan op een sociaal leven, althans voor mij.

Ik kreeg mijn eerste echte lief, en ging tijdens mijn laatste studiejaar ook samenwonen. En toch was dat het begin van het einde. We gingen wonen in een buurt waar ik door mijn hoogsensitiviteit niet kon aarden, omdat we het budget niet hadden om elders te gaan wonen. Ik wilde rust en stilte, en ik kwam terecht in een levendige en diverse buurt. Kwam ook nog eens bij dat ik alweer moeilijk een job vond (in mijn branche dan toch) en mijn partner mij niet begreep. Ik vervreemdde ook van mijn weinige vriendinnen omdat ik al mijn tijd in mijn relatie stak. Maar omdat ik toen zo enkel op mezelf gefocust was, had ik niet door dat mijn vriend zich ook niet goed in zijn vel voelde en zag ik de breuk totaal niet aankomen. Achteraf gezien waren er genoeg waarschuwingssignalen, maar die zag ik toen niet. Ik moet jullie niet uitleggen wat voor een miserie er toen volgde.

Zuivering van de geest

Ons huis raakte pas na een jaar verkocht en ik was in de tussentijd weer thuis gaan wonen, een situatie waar zowel mijn ouders als ik niet op zaten te wachten maar even noodzakelijk was. Mondjesmaat kwam ik er dat jaar ook achter dat mijn ex al contact had met zijn huidige partner toen wij nog samen waren, en dat hij op een jaar tijd al ging samenwonen met haar én een kind kreeg. Toen we nog samen waren beweerde hij bij hoog en laag net als ik nooit kinderen te willen. Dat de man die er zo van overtuigd was geweest dat hij nooit vader wilde worden, dit dan toch werd op zo’n korte tijd, sloeg mijn vertrouwen compleet aan diggelen. Hoe zou ik ooit nog een toekomstige partner kunnen geloven als ze zich toch van gedacht kunnen veranderen op een later moment? Dit was dieptepunt nr 1.

Ik probeerde mezelf recht te houden door naar een therapeut te gaan, en dat hielp wel, ook al was dat maar eenmaal per week. Ik heb er veel gepraat en veel gehuild. En dat was nodig. Het werd een soort zuivering van mijn geest. Ik bleef ernaar toe gaan tot ik vond dat er zelf geen problemen waren om over te praten, dat ik mezelf weer graag zag en dat ik over vroegere gebeurtenissen kon praten zonder er droevig over te zijn. Ik leerde ook ‘alleen’ wonen, iets wat ik tot dan nog nooit had gedaan. Ik probeerde die onafhankelijkheid als iets goed te zien, en niet als een noodzakelijk kwaad.

Oude en nieuwe problemen

Ik pikte de draad weer op, ging alleen wonen en weer daten. Maar een geworteld gebrek aan vertrouwen én zelfvertrouwen maakte het enorm moeilijk met momenten. Ik hechtte me direct aan mensen die ik amper kende, werd verstikkend en worstelde enorm met verlatingsangst. Bij elke poging tot relatie die mislukte, viel ik dieper en dieper in het zwarte gat. Ik dacht weer vaker aan zelfmoord. De reden dat ik het toen niet heb gedaan (en die nog altijd van tel is), is dat ik mijn ywee katten, die ik doodgraag zag, niet alleen wilde achterlaten. Mensen kunnen begrijpen waarom iemand niet meer naar huis komt, maar dieren niet. Dat ik dus niet dacht aan de impact op mijn familieleden, toont al hoe laag ik mezelf vond qua belang in iemands leven. En ook dat ik op dat moment zo egoïstisch was dat het me totaal niet uitmaakte of mijn ouders verdriet zouden hebben. Toen ik dat eens vertelde aan mijn mama, barstte ze in tranen uit. Ze wist wel dat ik me slecht voelde, maar niet dat het zo diep zat. Toen pas kwam het besef dat wat ik mezelf zou aandoen wel degelijk een effect zou hebben op mijn naaste omgeving…

(Lees binnenkort het tweede deel.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *